Welkom 
 Het laatste nieuws 
 Uitgeverij de Brouwerij 
 Gedichten 
 Publicaties 
 Bundel bestellen 
 Agenda Poëzie 
 Agenda Exposities 
 Foto's Optredens 
 Foto's Schilderijen 
 Foto's Collages 
 Foto's Objecten 
 Onderscheidingen 
 Persberichten 
 Gastenboek 
 Links 
 Contact 
 . 
 . 
Nederlandstalige Gedichten

...............................................
 

.






Maart

Tussen blauwe lagen
grauwe schemer
boven vochtig strand
gaan hand in hand de wolken
daaronder rollen golven
haastig huiswaarts
voor het duister op de vlucht
als in de lauwe lucht de laatste
vleugelslagen van de dag
de kust bereiken.

Zo ook wil ik jou
niet meer ontwijken
al is het wel wat laat
hier is mijn hand
gevuld met helder water
ontvouw jouw hart
dat zich schuilhoudt
in de kloven van mijn geest
maar altijd zingt dichtbij mijn oor

laat het wonder binnenrollen
het spoor van je vertrouwde voetstap
zal mij niet ontgaan.



Oktober

Zachtjes bloeit de zomer leeg.
De herfstwind laat de bladeren zingen
van het gezicht dat ik zo liefheb.

Steeds bleker smelt de zon.
Een laatste blik nog werpt zij
op de ogen, door het haar omlijst.

Nog even en de mond verdwijnt
in schemer. Maar niet in leegte.
Niet in schaduw van de tijd.

Mijn hand raakt nu de aarde.
Het wintergras staat voor de deur.
Nog slechts heel traag wil ik bewegen.

Niet vruchteloos meer zwoegen
met een vergeefse frons van pijn.
Nooit meer verstarren in verwijt

aangeschoten door de kogels
van het onzegbare. Nooit meer
zinloos sterven telkens weer.

Nooit meer die leegte van de nacht
als uit de hemel sterren vallen--
hou mij dan vast en noem mijn naam.

Laat ons groeien, langzaam aan.
Laat ons elkaar verkennen.
Op laatst lijkt niets meer vreemd

of onverwacht. Vinden wij ons
troebel bloed voorgoed gezuiverd.
Klinken wij op alles wat ons rest.

Op alles wat nog door het open
raam naar binnen waait.
Drinken wij op ons bestaan.




De nacht is klaar en hoor

de nacht is klaar en hoor
de zon klopt aan de morgen
de berken beven in
het vroege ochtendlicht

je bent te jong om
ongetroost te blijven
pas als ik alles weet
laat ik je gaan - doe ik je dicht



Ik weet alleen

ik weet alleen
ze is ermee geboren
met in haar ogen al
dat blauw

zo gauw ze woorden wist
was zij ze al vergeten
maar weten doet ze wel
ze vouwt de lakens op

schudt dekens uit ze
zegt ik ben een
poosje weggeweest
meer woorden zijn er niet

en ook de zin ontbreekt
de zin om woorden
in te zetten
want om te zeggen

wat haar overkomen is
heeft ze het zwijgen en
ze huilt als ze hoort wat
ze met die stilte zegt



Nooit eerder

Nooit eerder heb je dit gedaan
De borden opgeruimd
Kruimels weggeveegd

Je beweegt niet
Wacht tot je lichaam op wil staan
Wacht tot je benen weer gaan lopen
Maar je ogen willen niet meer open
Zo heerlijk donker is het en zo stil
En zo wacht je tot een hand je raken wil




Het wordt weer licht

Het wordt weer licht
Ik hoor gefluister om me heen
Als ik mijn ogen sluit ben ik alleen
Geen vriend
Geen vijand
Geen hond die blaft
Ik heb het koud

Wie zegt dat hij van mij houdt
Die heeft het mis
Die liegt
Die zegt maar wat
Maar ondanks dat
Wil ik zijn armen om mij heen
Nooit meer alleen

Maar mijn hoofd moet helder
Mijn rug moet recht
Mijn benen één voor één vooruit
Als ik mijn ogen sluit
Verkruimel ik mijn dagen tot uren
De minuten tot seconden
Waarom kom je niet?

Het wordt weer licht
Ik zwaai je in gedachten uit
En doe de ramen dicht



Laat het worden

Verlangen staat
naakt in de nacht
leunt tegen muren
klopt op de deur
houdt ons in leven
en nog even bij elkaar
hoeveel woorden
hoeveel pijn
laat het worden
laat het zijn

We zitten aan
de tafel van geluk
maar proeven van
het naderend afscheid
we drinken
alle glazen stuk
want wijn wordt bloed
en bloed wordt wijn
laat het worden
laat het zijn



Schreeuw maar

Schreeuw maar
roestige lettertekens
naar omlaag de dag in

woest opgeraapt
bekeken omgedraaid
nog eens en al weer

rechtop gezet maar
rimpelrustig weggelegd
bloedt ons vuurgevecht

nog door mijn huid
woedt de brand nog
door mijn haren

maar omdat telkens
jouw aderen
zo traag ontwaken

voelt nooit jouw hart
mijn diepste warmte
in kwadraat



Omdat nooit

Omdat nooit
mijn adem eenzaam is
weerkaatsen alle woorden.
Spiegel ik mezelf terug.

Maar nu de
spraakdiamant
voorgoed in licht gezet
lacht, schreeuwt, zucht
springt over rimpels
en jaloezie
-roestig genoeg-
tot goudbrons werd...

Omdat altijd
woordenstroom en
antwoord in symbolentaal
elkaar bevochten...

Omdat nooit
alsnog en telkens weer
letters altijd overwonnen
ongedeerd
teruggekeerd
steeds weer overwonnen
totdat jouw naam ontstond...

Daarom nooit.



Mijn woorden tot wond

Weiger de wanhoop
Van de woedende wereld
Speel het spel met de spiegel
En de droomdiamant

Zing van de zonde
Van stoere soldaten
Negeer het geweld
Steek je kop in het zand

Rimpel het ritme
Van vlindervleugels
Zuig aan de zon
Buig de maan uit haar baan

Verkreukel de krant
Laat de olie maar lopen
Zet de kraan toch open
Laat de wereld vergaan

Dool door het donker
Naar het ochtendwonder
Doof de feestfontein
Met een deken van dauw

Lees toekomst van morgen
In heksenhanden
Blaas adem van angst
Als een kat in het nauw

Vlucht voor de vrouw
Met het masker van marmer
Met de koele kreet
Van gemalen graniet

Klop aan de poort
Van geloof hoop en liefde
Breng doden tot leven
In een rampgebied

Vergeet het verleden
Laat toekomst leven
Droom van de drift
Die een lichaam verslond

Schrik van de schreeuw
Van de vluchtende vogel
Maal met een molen
Mijn woorden tot wond



Schim

Hé kijk, ze vult een hoek met haar gestalte
haar lichaam weet zich nog niet zo goed raad
Ze staat zo mooi te wachten in haar smalte
en weet niet zeker of ze wel bestaat

De tijd verslijt haar in de richting van de avond
waarvan de schaduw nu reeds diepe nerven trekt
Doorheen het zonlicht dat haar stralen nazond
voor schoonheid die haar beeltenis bedekt

Hé kijk, ze komt nu langzaam in beweging
je ziet het als je heel lang naar haar kijkt

Het leek net of ze even met je meeging
hoewel ze altijd nog je blik ontwijkt

Je staat daar maar en neemt in overweging
of alles schijn is als de tijd verstrijkt




Liefste

Je moet wel van honing en bloemen zijn
Je smaak is zoet en geurig is je kleur
Je kunt je wel verbergen
Maar steeds zal ik je zoeken
Achter elke boom, ieder huis, elke man
Die zegt dat hij mij minnen wil

Je komt tevoorschijn uit het gras
Uit elke storm, wanneer die liggen gaat
Uit elke regenboog kom jij
Betoverd door het licht
Of zomaar uit jezelf kom jij
Naar mij